HomeErasmus Online DatabaseNewsletterNederlands

Erasmus aan Maarten Luther

Leuven, 30 mei 1519

Zeer geliefde broeder in Christo. Uw brief beviel mij zeer, zowel door de scherpzinnigheid die hij verraadt, als door de christelijke geest die hij ademt. Met geen woorden kan ik u een indruk geven van de tragedies die uw geschriften hebben aangesticht. Zelfs het meer dan dwaze vermoeden dat uw verhandelingen met mijn hulp geschreven zouden zijn en ik, zoals ze het uitdrukken, de vaandeldrager van deze partij zou zijn, kon tot op heden nog niet uit hun verstand worden verdreven. Ze menen dat hun een mooie gelegenheid was geboden om de goede letteren - die ze hartgrondig haten, alsof deze letteren de majesteit van de theologie, die ze veel hoger stellen dan Christus, te kort zouden doen - kwaad te berokkenen en mij meteen, omdat ze menen dat ik een groot aandeel heb in het bevorderen van de studie van de letteren. De hele zaak is met veel misbaar, brutaliteit, kunstgrepen, verdachtmakingen en valse beschuldigingen behandeld. Als ik het niet met eigen ogen had aanschouwd en aan den lijve ondervonden, had ik een zegsman die wilde beweren dat theologen zo verdwaasd kunnen zijn, geen geloof geschonken. Een noodlottige plaag zou u het kunnen noemen. En toch is het venijn maar uit enkelen ontstaan, maar daarna in velen binnengedrongen, zo zeer, dat een groot deel van deze academie door deze zeer verspreide besmettelijke ziekte aangetast heet te zijn. Ik heb betuigd dat u me geheel onbekend bent en dat ik uw boeken nog niet gelezen heb; dat ik daarom niets kan veroordelen noch goedkeuren. Ik heb de mensen slechts voor ogen gehouden dat ze, zolang ze uw boeken nog niet hebben gelezen, toch niet op die hatelijk manier zo'n keel moesten opzetten ten gehore van het volk, zeker een ding van belang voor hen wier oordeel wel overwogen behoorde te zijn. En verder dat ze er eens goed over moesten nadenken of het wel juist gezien was om aan een gemengd publiek mededelingen te doen over wat beter in boeken kon worden weerlegd of onder geleerden besproken, vooral wanneer het in één adem gebeurde met het openlijk gepraat over het leven van de schrijver.

Dit heeft niet gebaat. Nog altijd razen ze voort met hun schampere, of liever: smadelijke gesprekken. Hoe dikwijls zijn we niet tot een vreedzaam akkoord gekomen! Hoe dikwijls hebben ze niet met brutaalweg verzonnen futiele verdachtmakingen weer opnieuw tumult veroorzaakt! En die lui menen zelf nog wel theologen te zijn! De theologen zijn hier aan het hof gehaat; dit rekenen ze mij ook al aan. De bisschoppen heb ik bijzonder op mijn hand. In boeken stellen ze geen vertrouwen. In aantijgingen alleen is hun hoop op de overwinning gelegen. Ik veracht die middelen, in vertrouwen op mijn besef van wat recht is. Tegenover u gedragen ze zich iets zachtzinniger. Mijn pen vrezen ze met hun slecht geweten. Wat zou ik ze in hun eigen kleuren afschilderen, zoals ze verdienen, als niet Christus' leer en voorbeeld mij daarvan weerhielden. Wilde dieren worden door een vriendelijke behandeling tam, maar deze lui hier worden wild als men goed voor hen is.

In Engeland vindt u onder de aanzienlijksten lieden die sympathie voelen voor uw geschriften. Ook hier zijn er mensen, onder wie de bisschop van Luik, die u een goed hart toedragen. Ik hou mij, voor zover dit gaat, buiten het geschil, om daardoor des te meer de wederopbloei van de letteren te kunnen steunen. Ook schijnt het me toe dat er met ingetogenheid en zelfbeheersing meer wordt bereikt dan met onstuimigheid. Zo heeft Christus de wereld onder Zijn gezag gebracht. Zo heeft Paulus de joodse wet opgeheven, waarbij hij alles tot gelijkenis verklaarde. Het is van meer belang in het krijt te treden tegen hen die het pauselijk gezag misbruiken dan tegen de pausen zelf. Ik meen dat jegens vorsten evenzo te handelen is. De onderwijsinstellingen moet men niet verachten. Beter is het ze terug te brengen tot eenvoudiger onderwijs. Wat te vast geworteld zit om opeens uit de geesten te kunnen worden verbannen, moet worden bediscussieerd met klem van bewijsredenen, liever dan het hard aan te vallen. Tegenover de woeste polemiek die sommigen voeren, past eerder verachting dan weerlegging. Te allen tijde moeten we ons hoeden voor aanmatiging of partijdigheid in ons spreken of handelen. Zo, meen ik, behaagt het Christus' geest. Intussen moeten we onze ziel ervoor behoeden dat ze wordt bedorven door toorn, haat of eerzucht. Want deze liggen op de loer juist als de vrome ijver het grootst is. Ik maan u niet alleen aan om dit te betrachten, maar het voortdurend te doen bij alles wat u onderneemt.

Uw commentaren op de Psalmen heb ik even ingezien. Ze trekken me bijzonder aan en ik hoop dat ze veel nut zullen stichten. In Antwerpen is er een prior (Jacob Proost), een edel christenman, die u bijzonder toegenegen is, een voormalig leerling van u, zo zegt hij. Van iedereen is hij ongeveer de enige die Christus preekt. Alle anderen prediken zoiets als menselijke fabels of eigen gewin. Aan Melanchthon heb ik geschreven. De Heer Jezus dele u dagelijks overvloediger Zijn geest toe, tot Zijn eer en tot het heil van het algemeen. Terwijl ik u dit schreef, had ik uw brief niet bij de hand. Vaarwel.

(Naar: O. Noordenbosch en T. van Leeuwen, Brieven van Erasmus (Utrecht/Antwerpen 1960). Deze brief is een vertaling van Allen, Opus epistolarum Erasmi, nr. 980.)

top