HomeErasmus Online DatabaseNewsletterNederlands

Erasmus aan Lord Mountjoy

Passage uit een brief van Erasmus aan William Blount, Lord Mountjoy (c. 1478-1534), geschreven in februari 1499

Eindelijk ben ik hier behouden aangekomen, ik mag zeggen in spijt der verenigde machten van hemel en hel. Welk een verschrikkelijke reis! Spreek niet van Hercules of Ulysses: voortaan acht ik beiden als kinderen. Juno, de dichters steeds ongezind, verklaarde mij de oorlog. Ouder gewoonte stookte zij Aeolus op; en ware het slechts bij stormen gebleven! Alle wapenen van hemel bracht zij tegen mij in het veld, - vinnige koude, sneeuw, hagel, regen, mist, één kort begrip der verenigde vormen van slecht weer. Nu zond zij die plagen afzonderlijk, dan tezamen. De eerste nacht ging het na een overvloedige regen weer fel vriezen, hetgeen de weg zeer moeilijk maakte. Voeg daarbij een overvloedige hoeveelheid sneeuw, vervolgens hagel, vervolgens nogmaals regen die, zodra zij de bodem of een boomstam raakte, ijs werd. De weg was over zijn volle breedte één ijskorst: niet effen maar golvend, en met een scherpe punt op de top van iedere kleine heuvel. De bomen waren met ijs bekleed, zo dik en zwaar dat de toppen van sommige de grond raakten.
Van andere waren de takken afgescheurd, van andere de stammen doormidden gespleten; nog andere waren geheel ontworteld. Verschillende landslieden, mannen van jaren, betuigden mij zulk een schouwspel nog niet beleefd te hebben. Intussen moesten onze paarden nu door sneeuwhopen waden, dan zich een weg banen door met ijs begroeide doornstruiken, dan sporen volgen, hard als steen door de vorst en daarna door de ijzel gescherpt, dan over een bevroren sneeuwkorst treden die niet stevig genoeg was om ze te dragen, maar wel om hun de enkels te kwetsen.

Hoe denkt gij dat Erasmus in die stand van zaken te moede was? De verbazing van zijn paard deelde zich mede aan de berijder. Zo vaak het dier de oren spitste, zonk zijn moed, en telkens als het stortte, sprong mijn hart overeind. Het ene ogenblik bekroop mij de vrees getroffen te zijn door het noodlot van Belleferon, het andere verwenste ik mijn lichtzinnigheid die geleerdheid en leven mij had doen toevertouwen aan een redeloos dier.

Doch verneem een avontuur dat gij wanen zoudt aan de waarachtige fabelen van Lucianus ontleend te zijn, ware het niet in levende lijve mijzelf overkomen, en ware niet Battus er ooggetuige van geweest.
Het kasteel lag vóór ons en een baan van ijs scheidde er ons van. Het woei die dag zo hevig dat van de andere zijde twee mannen tevergeefs de overtocht beproefd hadden. De wind had hen omvergeworpen en gedood. Doch ik, gelukkig, had hem in de rug. Ik ging op de rand van de dijk zitten en liet mij naar beneden glijden, zeilde de ijsvlakte over, en bestuurde mijn vaart met een stok die dienst deed als een roer. Nieuw soort van navigatie!

Op de gehele reis naar hier ben ik bijna geen schepsel tegengekomen; en niemand kwam mij achterop, zo ongunstig was het weer. Eerst de vierde dag is de zon zich komen vertonen, indien het vertonen heten mag. Eén voordeel was voor mij aan het samentreffen van al die tegenspoeden verbonden, dat ik minder bang behoefde te zijn voor dieven. Niettemin was ik bang voor hen, gelijk de plicht is van ieder die een gevulde beurs op zak heeft.

Citaat afkomstig uit "Land van Rembrandt" van Conrad Busken Huet (1826-1886)

top