HomeErasmus Online DatabaseNewsletterNederlands

NAIMA AZOUGH • LOF DER ZOTHEID LEZING 2014


Dames en heren,

Vandaag, 28 oktober, in het jaar 1466 werd Desiderius Erasmus Roterodamus in Rotterdam geboren. Zijn vader was een priester uit Gouda, zijn moeder waarschijnlijk apothekersassistente. Hij werd geboren uit hun relatie als buitenechtelijk kind en hij werd, nadat zijn ouders te vroeg aan de pest overleden, onder dwang weggestuurd naar het klooster. Maar deze jonge monnik was ambitieus, werkte en studeerde hard en zorgde ervoor dat hij kon ontsnappen aan deze religieuze kooi. En nu tooit zijn naam in Nederland en wereldwijd duizenden verenigingen, organisaties en scholen. Er zijn maar weinig geleerden zo invloedrijk geweest dat ze tot op heden wereldwijd zo tot de verbeelding spreken. Zijn bescheiden afkomst heeft hem en zijn levensloop zeker niet volledig kunnen bepalen.

Jaren geleden groeide ik op met de zoete geur van het geroosterd meel van de Menebafabriek op Zuid. Ik speelde in Speeltuin de Tarwewijk, was kind aan huis in bibliotheek Bloemhof, meed de straten met dichtgetimmerde ramen in de Millinxbuurt, ging naar de Hugo de Grootschool waar op Erasmiaanse wijze serieus onderwijs maar ook persoonlijke ontwikkeling en verdraagzaamheid centraal stond, en studeerde begin jaren negentig met een Erasmusbeurs aan de Universiteit in Leipzig die toen nog Karl-Marx-Universität heette. En vandaag, enkele decennia later, mag ik hier in het Stadhuis van Rotterdam voor u de Lof der Zotheidslezing houden.

Als rechtgeaarde Rotterdammer ben ik trots op onze Erasmus, hij die weliswaar in Gouda geconcipieerd is en alleen de eerste drie à vier jaar in Rotterdam doorbracht, waar hij vervolgens nooit meer gewoond heeft. Maar hij noemde zichzelf Erasmus Roterodamus, dus wie zijn wij om hem tegen te spreken? Als je, zoals het een moderne burger betaamt, op de noemer Erasmus googlet, duizelt het je van de vele stichtingen, organisaties, verenigingen die zich tooien met de naam Erasmus, maar waarvan de inhoudelijke koppeling met het gedachtegoed van Erasmus wel zeer mager uitvalt. Erasmus als handig internationaal branding- en marketinginstrument—en dat terwijl Erasmus eigenlijk het ultieme rolmodel is voor ons burgers in deze moderne stadssamenleving.

Een politiek denker, Gramsci, schreef ooit: “De crisis bestaat uit het feit dat het oude stervende is, en het nieuwe nog niet geboren kan worden.” Anno 2014 is deze uitspraak helaas zeer actueel. Of we nu kijken naar het wereldtoneel of naar het Nederland van nu. Velen beklagen het gebrek aan een waarachtig en bezielend verband op het vlak van politiek, kapitalisme, religie en ethiek. Nu zult u van mij ook geen allesomvattend bezielend verband horen vanmiddag. Ik ben geen predikant, politicus of Zomergast. Ik ben een van de vele Rotterdammers en Nederlanders en allemaal worstelen we meer of minder met de kleine en grote vragen van het samenleven. Maar in die zoektocht kunnen de waarden en inzichten die Erasmus honderden jaren geleden wist te formuleren, ons nog steeds sterk leiden. Waarden die stoelen op kritisch denken, verdraagzaamheid en vrijheid.

Om te beginnen met kritisch denken. Neem alleen al Lof der Zotheid, voor Erasmus een pleziertje dat hij tussendoor schreef om zichzelf en zijn vrienden te vermaken. Een lofrede op de dwaasheid. Maar het is meer dan een satirische blik op de “huichelachtige priesterkaste, op de rijken die hun zonden denken weg te kunnen kopen met aflaten, op dwaze schrijvers die elkander voortdurend ophemelen in elkaars boeken, op de handelaren die links en rechts liegen, meineed plegen, stelen, frauderen en bedriegen, op de vorsten die voortdurend op jacht zijn, baantjes verkopen en nieuwe belastingen uitdenken om in hun eigen zak te steken.” Als ik dit zo voorlees zou je nauwelijks kunnen bevroeden dat het letterlijke citaten zijn uit Lof der Zotheid (in de bewerking van Harm-Jan van Dam). Precies dezelfde woorden zouden we kunnen gebruiken voor vele hedendaagse bankiers met hun schunnige bonussen, de toezichthouders die zich laten fêteren op verre reisjes, de televisiepresentatoren die zichzelf in elkaars programma komen feliciteren en de religieuze theologen, zij het christelijk, islamitisch of anderszins, die zichzelf tot de hoogste rechter uitroepen en met onzinnige oordelen komen.

Als Vrouwe Dwaasheid over de monniken schrijft en hun pocherij— met hoeveel dagen ze wel niet hebben gevast, of hoeveel psalmen ze wel niet kennen, of hoe ze nooit geld aanraken maar twee paar handschoenen dragen—dan denk ik aan de hedendaagse moslim-zeloten die elkaar de ogen uit willen steken met een zo donker en eeltige mogelijke bidvlek op het voorhoofd of christelijke volgelingen die elkaar aftroeven met het schenken van zoveel mogelijk geld aan hun eigenste televisiedominee.

Maar naast die satirische en kritische blik op de huichelarij, ijdelheid en hebzucht van de mens biedt Lof der Zotheid ook een liefdevolle blik op hoe wel te leven en te geloven. Waarbij verdraagzaamheid en wellevendheid ten opzichte van elkaar een grote rol speelt. Dat komt mijns inziens ook tot uiting in Lof der Zotheid. Zo zegt Vrouwe Dwaasheid op gegeven moment: “Geen enkele relatie of manier van samenleven kan prettig of stabiel zijn zonder mij. Het volk zou zijn koning niet kunnen verdragen en de slaaf zijn meester niet. De dienares haar meesteres niet, de leraar zijn leerling niet, de ene vriend de andere niet, de vrouw haar man niet, de huurder de verhuurder niet, de ene huisgenoot de andere niet en twee mensen aan een tafel niet—als ze niet allebei soms in de fout zouden gaan, soms aardig doen, dan weer heel verstandig een oogje dichtknijpen, dan weer elkaar de stroop van de dwaasheid om de mond te smeren, om zo te zeggen. Ik weet het, dit lijkt een topprestatie van mij, maar ik zal het u nog sterker vertellen. Vertel eens, kun je van een ander houden als je een hekel hebt aan jezelf? Kun je in harmonie zijn met een ander als je dat niet met jezelf bent? Kun je iemand genot geven als je jezelf alleen pijn en verdriet bezorgt? Ik neem niet aan dat iemand hier ‘ja’ op zegt, of hij moet nog dwazer dan dwaasheid zijn.”

Zonder bepaalde vormen van dwaasheid en wellevendheid zou het leven en vooral ook het samenleven nagenoeg ondraaglijk zijn. Een beetje zottige vleierij is van groot belang. “Ze ligt veel dichterbij een goede eigenschap dan het tegendeel ervan: botheid en het vermanend opgeheven vingertje. Mijn Vleierij zet de mensen weer op de been als ze terneergeslagen zijn. Ze streelt ze als verdriet hebben, ze verlicht ze als ze ziek zijn. Ze brengt geliefden bij elkaar en houdt ze bijeen.” Natuurlijk weet ik niet wie er hier spreekt, of dat nu Vrouwe Dwaasheid is of toch Erasmus. Maar zeker op het eind als de Lof scherpe kritiek uit op de theologen die de woorden van de Bijbel oprekken en op de kerkelijke leiders die slechts bezig zijn met luxe en lust en een christelijke kerk hebben gebouwd op bloed, hoor je de stem van Erasmus klinken. Die laatste hoofdstukken zijn, vind ik, ontroerend in hun pleidooi voor een eerlijk en oprecht geloven, vrij van dogma en valsheid en vol van naastenliefde.

En zo biedt Lof der Zotheid ons niet alleen de gelegenheid tot hartelijk lachen, maar is het mijns inziens uiteindelijk toch vooral een impliciet pleidooi voor hoe te leven en te geloven.

De verdraagzaamheid die Erasmus voorstond, was een echte verdraagzaamheid. Wars van lege rituelen en huichelachtige facades pleitte hij voor een oprecht en eenvoudig geloof. Strijdend tegen de decadente kerkelijke oligarchie wilde hij terug naar de morele bronnen van het evangelie. Door goed onderwijs voor ieder moesten gelovigen in staat worden gesteld de Bijbel en de geschriften van de kerkvaders zelf te lezen en te duiden. In alle vrijheid en zonder religieuze poortwachters. In dat opzicht stond hij letterlijk tussen de hamer en het aambeeld. Enerzijds de hamer van de katholieke kerk die Erasmus steeds meer ziet als tegenstander, niet tot hervorming bereid is en zijn boeken tot aan 1900 verboden verklaart. En anderzijds het aambeeld van Maarten Luther die als onverbiddelijke fundamentalist zelfs tot scheuring in de katholieke kerk bereid was. Anders dan de radicale Luther meende Erasmus dat de mens niet per se zondig was, een vrije wil had en als gelovige kon en moest kiezen voor het algemeen belang. Daarmee was de diepgelovige katholiek Erasmus eigenlijk een moderner mens dan de dogmatische geloofsvernieuwer Luther.

Zijn positie van gelovige katholiek die tegelijk zowel de hypocrisie en bekrompenheid van de kerk als de onbarmhartige starheid van Lutheranen bestreed, is heel herkenbaar in deze tijd en voor mij als moslim. Ook nu is deze strijd gaande in islamitische stromingen. De roep om terug naar de bronnen te gaan levert heel verschillende resultaten op. Enerzijds is er het wahabisme en salafisme die pleiten voor een zeer orthodoxe en mijns inziens bijzonder naargeestige interpretatie van Koran en Soenna, met IS en Al Qaida als het broedsel dat bereid is tot barbaars geweld om dat doel te bereiken. Maar naast deze zeer zorgelijke ontwikkelingen is er de afgelopen decennia ook een andere stroming die wereldwijd van Indonesië tot aan Marokko pleit voor een herinterpretatie van de bronnen met behulp van goed onderwijs. Onderwijs en religieus debat dat de bronnen in de historische context plaatst en zichzelf vragen stelt om zo tot een vrije, individuele exegese van de islam te komen. Een interpretatie die recht doet aan de geest van de Koran en die streeft naar gelijkheid en rechtvaardigheid voor man en vrouw, arm en rijk, oud en jong. De crisis die we nu zien in de islamitische wereld is deels de verborgen strijd tussen deze twee stromingen, waarbij vele activisten, schrijvers, bloggers en theologen in de sporen van Erasmus treden en strijden voor een geloof zonder dwang en druk.

Hiermee komen we na het kritisch kijken en de verdraagzaamheid in het werk van Erasmus aan de waarde van vrijheid. Want juist de individuele vrijheid van het individu is een van de centrale thema’s voor Erasmus. De vrije wil, de vrijheid en de morele plicht tot zelfontplooiing, tot het benutten van capaciteiten en het ontwikkelen van talent. Zonder burgers al te zeer vast te leggen op hun afkomst of sekse. Zijn idee van burgerschap was nooit al te sterk gebonden aan een bepaalde stad of aan een bepaald land. “Heel de wereld is mijn vaderland”, aldus Erasmus.

Daarmee kom ik terug op het begin. Toen ik naar school ging in de Tarwewijk, het Boekenweekfeest vierde in Theater Zuidplein, in de Centrale Bieb mijn examens voorbereidde en als uitwisselingsstudent in Leipzig ontdekte hoeveel ik gemeen had met die studieuze Oostduitsers, was ik vooral Naima. Natuurlijk was ik naast Nederlands ook Marokkaans, moslim en dochter van migranten, maar ik was vooral een Rotterdams arbeiderskind, een beetje een nerd, en een nieuwsgierig aagje dat alle kansen op cultureel kapitaal aanpakte. Ik had enige vrijheid om mijn eigen identiteit, wie ik was en wilde zijn, zelf in te vullen.

Maar die vrijheid van identiteit is allerminst vanzelfsprekend. Hoeveel vrijheid hebben de Naima’s van nu? Hoeveel vrijheid hebben Rotterdamse nieuwsgierige arbeiderskinderen van nu om te worden wie ze willen zijn? Natuurlijk, geen enkel kind groeit op in een context waarin absolute vrijheid van identiteit is. Maar ik maak mij zorgen om de kinderen die opgroeien in deze tijden waarin ze van jongs af aan vooral vertegenwoordigers lijken van een gemeenschap, van een religie, van ‘de ander’. Waarin kinderen vooral aangesproken worden als Marokkaan, niet als Nederlander. Als moslim, niet als burger. Als gemeenschap en niet als individu.

Ik zie in Rotterdam een stadshart dat klopt en leeft. Waar in andere steden de segregatie toeneemt, neemt in Rotterdam de segregatie af. Waar in andere steden het centrum gedomineerd wordt door slenterende toeristen of een witte stedelijke elite, loopt de Koopgoot vol met winkelende Rotterdammers van op Zuid, Crooswijk en Kralingen. Rotterdam mengt meer, mijdt minder. Rotterdammers voelen zich zodoende in eerste instantie Rotterdammer, daarna Nederlander. Uit verschillende sociologische onderzoeken blijkt ook hoe—net als in vroegere tijden van stadsmuren, -wallen, -poorten en de relatieve veiligheid en burgerschap die deze opleverden—stadsbewoners zich nog steeds wenden tot de stad voor geborgenheid. Kortom, stadsidentiteit als een immuniserend medicijn tegen de vervreemding van alledag, en met name de vervreemding in een land dat nog niet helemaal of niet meer helemaal de jouwe is.

Laten we als Rotterdammers dus uitkijken voor de blik van Medusa, het monster dat ieder die haar aankeek, ter plekke versteende. De schrijver en hoogleraar Kwame Anthony Appiah noemt dat het Medusa-syndroom: Door de blik van de buitenstaander worden migranten in een identiteit bevroren. Laten we uitkijken voor die blik van Medusa die mensen vanuit gemakzucht en angst in één aspect van hun identiteit bevriest. Erasmus was priester en vrijdenker, bastaardzoon en thuis in de hoogste kringen, diepgelovig en vrijheidslievend, principieel en tegelijk relativerend. Laten we daar een voorbeeld aan nemen en de vrijheid bieden zowel van buitenaf als van binnenuit, om gelovig en twijfelend te zijn, kritisch en loyaal, Nederlands en niet-Nederlands. Als een vrouw met baard het Eurovisie Songfestival kan winnen, moet dit toch een Erasmiaans eitje zijn.

© 2014 Naima Azough

top