HomeErasmus Online DatabaseNewsletterNederlands

Bonae Litterae

Erasmus is eerst en vooral uitgever van teksten geweest. Zijn leven lang is hij bezig geweest met het voorbereiden en laten drukken van kritische tekstuitgaven: teksten waarvan de letterlijke tekst tot stand kwam door een kritische afweging van bestaande teksten en varianten daarvan. Daarbij hoorde altijd een tekstkritisch, maar vaak ook een inhoudelijk commentaar. Daarnaast maakte Erasmus ook Latijnse vertalingen van Griekse teksten.

De weg naar zijn werkzaamheden heeft Erasmus uiteraard geplaveid met het bestuderen van de talen, in eerste instantie het Latijn. Als oefening in taalbeheersing heeft hij zich in zijn jonge jaren op dichten toegelegd. Ook later heeft hij zich af en toe nog aan gedichten bezondigd. Tijdens zijn eerste verblijf in Engeland werd hij met name door John Colet overtuigd van het belang van de kennis van het Grieks. Sindsdien heeft Erasmus zich hartstochtelijk in de Griekse taal bekwaamd. Weer wat later werd hij ook met het Hebreeuws geconfronteerd. Dat heeft niet geresulteerd in een intensieve studie van die taal door Erasmus zelf, maar wel tot het propageren van de studie der drie talen ten behoeve van de bijbelse traditie. Dit heeft in Leuven geresulteerd in de stichting van het zogenaamde Collegium Trilingue, het Drietalig College.

Zuivere bronnen

Erasmus heeft zich beziggehouden met het uitgeven van teksten van zowel niet-christelijke als christelijke literatuur uit de Oudheid. Het belangrijkste voorbeeld van de tweede categorie vormt zijn uitgave van het Nieuwe Testament. Het belang daarvan kan niet worden overschat. Een van zijn doelen is een breder publiek met de kennis uit het verleden in aanraking te laten komen. In een wat later geschreven voorwoord bij het Nieuwe Testament merkt Erasmus op dat hij wenst dat de tekst van dat Nieuwe Testament iedereen in handen zou kunnen komen. Zelfs Turken, want dan zouden zij wel worden overtuigd van de waarde van het christendom! Naast zijn kritische benadering van teksten uit de Oudheid heeft Erasmus zijn leven lang gewerkt aan zijn verzameling klassieke spreekwoorden. Zijn eerste wat omvangrijker gedrukte werk was de uitgave van de Adagia in 1500.

De beoefening van wat men toen de "bonae litterae" noemde, staat volledig in dienst van de zoektocht naar de zuivere bronnen, ontdaan van aankleefsels die zich langzamerhand in de traditie daaraan hadden gehecht. Maar de "bonae litterae" zijn meer dan een studie van de klassieken. Ze geven toegang tot geleerdheid en ze staan voor een bepaalde beschaving en levenshouding. Door de bestudering van de "bonae litterae" kan men volgens Erasmus een beter mens worden. Volgens Erasmus kun je van kosmografie, moraalfilosofie en de geschiedenis van de Oudheid meer leren dan Odysseus in twintig jaar reizen heeft opgestoken.

Huwelijk van Oudheid en Christendom

In Erasmus' ogen moeten de "bonae litterae" uiteindelijk volledig ten dienste staan van de theologie, die rijker zou worden van een koppeling met de antieke beschaving. Erasmus hanteert succesvol de formule van het verbinden van zijn christelijkheid met de geest van de Oudheid. Daarin ligt de vernieuwing. Volgens de historicus Johan Huizinga is het heidense en wereldse karakter van de Renaissance lange tijd overschat. In de 16e eeuw maakte de geest gebruik van heidense vormen, maar was de inhoud hiervan christelijk. Erasmus zegt over de schone letteren:

"... om te zorgen dat de lasteraars die het de hoogste vroomheid achten niets te weten van de bonae litterae, begrijpen dat wij in onze jeugd de beschaafdere literatuur van de Ouden hebben omhelsd, en ons een behoorlijke kennis van beide talen, Grieks en Latijn, niet zonder vele nachtwaken hebben verschaft, niet voor ijdele roem of kinderlijke bevrediging, maar dat wij lang te voren hebben overwogen om de tempel van de Heer, die sommigen door hun onwetendheid en barbarij al te zeer hebben onteerd, naar onze krachten met hulp uit den vreemde te versieren, zodat ook edele geesten kunnen worden ontvlamd tot liefde voor de Heilige Schrift."

Bonae litterae verdacht

Erasmus heeft vaak geklaagd over de minachting die er in de Nederlanden heerst voor de "bonae litterae." Nergens zijn er volgens hem meer drankgelagen, kankerpitten en roddelaars. Er zou in Europa zelfs een samenzwering zijn tegen de schone letteren. In maart 1519 schrijft Erasmus aan een vriend in Duitsland:

"Ik weet heel zeker dat de barbaren van alle kanten onder elkaar hebben samengespannen om niets onbeproefd te laten teneinde de schone letteren te onderdrukken."

Er bestond een haat tegen deze "literatuur." Erasmus probeert zijn drukker Froben ertoe te bewegen niet de geschriften van Luther uit te geven om de haat jegens de "bonae litterae" niet nog groter te laten worden.

Erasmus als beschermheer

Tijdens Erasmus' leven begon zich de onomkeerbare scheuring van de christelijke wereld af te tekenen. Met veel van Luthers standpunten was Erasmus het oneens. Tegen deze achtergrond is het kenmerkend dat Erasmus in zijn eerste brief aan Luther schrijft:

"Ik hou me zoveel ik kan neutraal, om des te beter de opbloeiende schone letteren van nut te zijn. En het komt me voor dat men meer opschiet met beheerste bescheidenheid dan met onstuimig gedram. Zo heeft Christus de wereld voor zich gewonnen..." (Leuven, 30 mei 1519)

In zijn jeugd heeft Erasmus al commentaar gekregen op zijn studie van de Oudheid. Zijn leermeesters namen het hem niet altijd in dank af dat hij hier meer tijd aan besteedde dan aan de bestudering van de kerkvaders. Maar Erasmus zal zich gedurende zijn leven door andere humanisten gesteund zien, en hij zal paus Leo X (1513-1521) prijzen als beschermer van de "bonae litterae."

top