HomeErasmus Online DatabaseNewsletterNederlands

Bron en wezen van het humanisme

RONALD G. WITT, "IN THE FOOTSTEPS OF THE ANCIENTS" : THE ORIGINS OF HUMANISM FROM LOVATI TO BRUNI (Leiden 2000)

Het humanisme ontstaat in een gevorderde fase van de herleving van de grammaticale traditie in Italië, die rond 1180 op gang is gekomen. Waar de redevoering—en in haar kielzog de al dan niet officiële brief—het belangrijkste medium van de retorica is, staat in de grammaticale traditie de poëzie centraal. Het is dan ook niet verwonderlijk dat in de eerste halve eeuw van het humanisme uitsluitend gedichten zijn voortgebracht. LOVATO LOVATI (1241–1309) dichtte zijn eerste gedichten in 1267/8, terwijl ALBERTINO MUSSATO (1261–1329) pas in 1315 het eerste humanistische proza schreef. Witt beschouwt het kunnen schrijven van "klassiek" Latijn als lakmoesproef voor humanisten. Inderdaad is dit voor henzelf altijd een zeer belangrijk argument bij het beoordelen van anderen. De nauwe omgang met de klassieken leidde niet alleen tot het breken met Middeleeuws (of liever: scholastiek) Latijn, maar ook tot andere manieren van denken, tot een sterker historisch bewustzijn en een groter gevoel van eigenwaarde. Het verwerken van de talige structuren van het antieke Latijn beïnvloedde niet alleen de manier van schrijven en spreken van de humanisten, maar daarmee ook hun manier van denken.

Affiniteit met de Oudheid ontstond in Italië in de eerste plaats op inhoudelijke gronden. Dat wil zeggen, vernieuwingen op het maatschappelijke en dus politieke vlak zorgden voor een grotere affiniteit met de antieke maatschappij. Het wegvallen van het keizerlijk gezag na 1183 zorgde voor een grote mate van autonomie voor de vele stadstaten. Deze "communi" werden nu geregeerd door een elite die zijn basis in de stad had en niet langer op het platteland. De riddermoraal had hiermee in Noord-Italië afgedaan (maar niet in bijvoorbeeld Frankrijk). De antieke maatschappij -- in ieder geval zoals zij uit de antieke literatuur opdoemt -- was eveneens stedelijk en republikeins in tegenstelling tot platteland-georienteerd en hoofs/koningsgezind. Dit verklaart primair de stijgende belangstelling voor de antieke literatuur: men zocht een middel om zijn eigen plaats en levenshouding aan te spiegelen en mee te legitimeren: de Oudheid als (politiek en sociaal) voorbeeld. Op de tweede plaats komt dan de voorkeur voor en navolging van de antieke taal en stijl; zij is dus eigenlijk een bijkomend gevolg van het voorgaande.

Deze navolging is mede gestimuleerd door een sterk stijgende belangstelling vanaf 1190 voor de grammatica. Tot dan toe was de grammatica "slechts" een hulpmiddel voor het schrijven van juridische teksten en brieven. De noodzaak tot een beter begrip van het antieke juridische corpus (rechtswetenschap was de intellectuele hoofddiscipline in Italië—en leken hadden dus het primaat, dit in tegenstelling tot Europa ten noorden van de Alpen, waar theologie en geestelijkheid voorop stonden), veroorzaakt door politiek-maatschappelijke ontwikkelingen (men wilde een even uitgebalanceerd rechtssysteem voor zijn eigen tijd), maakte meer aandacht voor grammatica noodzakelijk. Dit leidde tot een opbloei van de grammatica als gerechtvaardigd studieobject an sich.

Welnu, waar de redevoering en de brief het domein van de retorica zijn, is de poëzie dat van de grammatica. Er volgde dan ook een navenante opbloei van poëzie, doorgaans niet in het Latijn, maar vooral in allereerst het Provençaals en dan in Italiaanse dialecten (Siciliaans, Toscaans). Overigens versterkte de opbloei van de "communi" ook de literaire cultuur: iedere bovenbaas wilde zijn eigen macht en aanzien verheerlijkt zien door zangers/schrijvers. Deze bloeiende dichtcultuur stimuleerde vanaf 1250 Lovati en enkele anderen tot competitie in het Latijn, wat toentertijd vrijwel zonder precedent was in Italië. Ziehier de bakermat van het humanisme. Er was trouwens ook een sterk toenemende stroom van vertalingen van antieke teksten in de volkstalen, wat evenzeer getuigt van het verlangen tot kennis van de antieke wereld (om zich daaraan te spiegelen dan wel zich daardoor te laten bezielen).

Een wezenlijk element van het humanisme is het streven naar de beheersing van de antieke taal en stijl als code voor de emoties en gedachten van de antieke maatschappij, ter ontsluiting daarvan. Hierbij dienen filologie, tekstkritiek, herontdekking van teksten en auteurs, reconstructie van de geschiedenis van de Oudheid als middelen.

Humanisten probeerden vaak de Oudheid te objectiveren, zich van haar te distantiëren, haar als "los object" te zien, om haar zo als bedreiging voor hun eigen trouw aan de christelijke waarden te verkleinen. Deze instelling versterkte hun historische bewustzijn. Voor eenzelfde versterking zorgde de nauwgezette bestudering van de antieke geschiedschrijving (ten behoeve van eigen historiografisch werk), dit vanwege de ingewikkelde en subtiele manieren om chronologische volgorde in taal te vangen. Ook hadden al sinds de 11e eeuw juristen in Italië de haalbaarheid en het nut van de bestudering van antieke (juridische) teksten om de maatschappij sociaal en politiek vorm te geven, aangetoond. Humanisten breidden dit uit naar andere genres. Hun vernieuwing lag in het leggen van een persoonlijke band met de antieke teksten/schrijvers. Door imitatie probeerden zij een dialoog te openen. Hierdoor waren antieke teksten niet langer onschendbare eenheden, maar historische producten. Dit leidde tot een groter historisch besef. Dit besef werd mede versterkt door de analyse van de antieke stijl met zijn nauwgezette opbouw van perioden middels subtiel gebruik van werkwoordstijden en -wijzen. Überhaupt beïnvloedde de bestudering van de ciceroniaanse zinsbouw het denken (in termen van evenwicht, harmonie, e.d.).

FRANCESCO PETRARCA (1304–1374) heeft het humanisme, dat een wereldlijke stroming was, een christelijk geweten gegeven. Bij hem komt voor het eerst sterk de nadruk te liggen op morele hervorming, op de ethische functie van het lezen van antieke teksten en het schrijven van antiek Latijn. Voor Petrarca zijn namelijk taal en inborst (van de schrijver) onlosmakelijk met elkaar verbonden. De woorden zijn de kleren van de geest. Daarom zijn welsprekendheid (eloquentia) en stilistische hervorming van fundamenteel belang voor hervorming van de moraal. En het vaststellen van een zo goed mogelijke tekst en het concreet en nauwkeurig uitleggen van een bestaande tekst zijn op hun beurt wezenlijke onderdelen van de "eloquentia" die worden onderwezen als onderdeel van de grammatica. Maar voor Petrarca is de welsprekendheid in de eerste plaats gebonden aan het individu, hij denkt niet aan maatschappelijk geëngageerde functies (zoals bijvoorbeeld Cicero en Leonardo Bruni wel deden). En in elk individu staat voor hem de wil, en niet het verstand, centraal (voluntarisme)—zoals een redenaar de toehoorder behoort te zien als een uniek individu met zijn eigen (emotionele) gezindheid op het moment van toespreken. Vandaar Petrarca’s weerstand tegen de scholastiek, die morele dilemma’s in abstracte termen behandelde. Hier ligt misschien ook een verklaring voor de grote belangstelling voor Petrarca’s humanisme in de Lage Landen, waar de Moderne Devotie ook de wil van het individu (en niet zijn verstand) centraal stelde. Een tweede verklaring kan zijn dat hij, zoals gezegd, zich niet richt op de humanist als onlosmakelijk verbonden met de gemeenschap waarin hij leeft, dat zijn humanisme niet geëngageerd is, maar gericht op het individu. Anders dan zijn voorgangers en navolgers is hij gemakkelijk los te maken uit de specifieke context van zijn eigen gemeenschap. Zijn teksten, zijn ideeën, waren ook relevant voor Europeanen elders. Petrarca’s ideaal van "docta pietas" is persoonlijk en kosmopolitisch (niet-plaatsgebonden).

Petrarca is de eerste die expliciet het gebruik van antieke citaten of echo’s enkel als incidentele opsmuk in iemands eigen poëzie of proza verwerpt. Het gebruikte citaat mag niet uit zijn context worden gerukt. Het citaat moet juist benut worden om een reactie op te roepen bij de lezer, omdat die de oorspronkelijke context kent. Zijn eigen gedichten scheppen een dialoog met de brontekst, met de onderliggende schaduw, door zowel overeen te komen als te verschillen met de voorbeeldtekst(en) in taalgebruik, inhoud (emoties) en context.

Tot Petrarca vind je drie verstandhoudingen van de christenen tegenover de heidense antieke literatuur: 1. Negering van haar pagane karakter; 2. Verzoening door allegorische verklaring; 3. Verwerping. Petrarca’s liefde voor de antieke literatuur maakte dat hij herhaaldelijk heeft geprobeerd de verhouding tussen beiden te definiëren om zijn studie van de antieken voor christenen te legitimeren. Hierin is hij nooit goed geslaagd. Bij preciese bestudering van de relevante passages, die verspreid door zijn werk voorkomen, zie je dat hij het ook nooit precies weet, dat zijn pogingen tot legitimatie niet consistent zijn. Daarentegen is het voordeel van zijn benadering (verwerping van de allegorische legitimatie) dat hij de antieken niet ziet als onderdeel van de heilsgeschiedenis, als door God geïnspireerde tekstschrijvers, maar als gewone stervelingen, als historische individuen in hun eigen maatschappelijke context, even feilbaar als hijzelf en zijn eigen tijdgenoten. Hiermee versterkte hij het historische besef van de Oudheid als een periode in de geschiedenis van de mensheid.

Petrarca voelde steeds een grote verwantschap met Augustinus (die trouwens ook grote nadruk legde op de wil), die eveneens zijn leven aanvankelijk aan de antieke heidense literatuur gewijd had. Petrarca’s verweer van de antieken luidde dan ook primair dat een opleiding in de antieken de grammaticaal-retorische vaardigheden aanleert om beter te kunnen denken, schrijven en het geloof verdedigen, zoals ook de kerkvaders gedaan hadden. Bovendien bevorderde het lezen van de antieken het ethische besef: de antieke literatuur—en vooral de geschiedschrijving, Petrarca’s lievelingsgenre dat zijn historisch bewustzijn versterkte—onderwijst door voorbeelden (exempla). Zijn ideaal is "docta pietas."

Bij COLUCCIO SALUTATI (1331–1406) vind je zowel de communale betrokkenheid van de eerste generaties humanisten als het christelijke geweten van Petrarca. Aanvankelijk legde hij geen verband tussen ethiek en christelijke leer, zoals nooit gebeurde in de Italiaanse retorische traditie. Over de humanistische invloeden op zijn opvoeding is weinig zeker, maar vanaf 1369 kwam hij in contact met Petrarca en beklemtoonde hij eveneens het belang van de studie der antieken voor (moderne) christenen. Tegen het einde van zijn leven kreeg het geloof zelfs de overhand en begon hij het belang van de antieken steeds geringer te achten, of in ieder geval als volkomen ondergeschikt aan het versterken van het geloof. Alleen een christen kon echt welsprekend zijn. Evenals Petrarca was hij uiteindelijk een voluntarist, en hij probeerde dit standpunt filosofisch te onderbouwen: hij breekt een lans voor het actieve leven, omdat daarin de wil centraal staat, terwijl in het beschouwende leven het intellect het voortouw neemt. In het actieve leven dient het verstand slechts als aangever van informatie, waarna de wil besluit hoe het goede te bereiken is.

Het nieuwe van de humanisten ligt niet in de rol die zij aan de antieken toekennen, maar in het feit dat zij dit deden met meer kennis van die antieken, met meer vaardigheid, consistenter en (zelf)bewuster. Dat zij niet iets radicaal nieuws deden, is een verklaring voor het feit dat hun ideeën ingang vonden.

Taal als aankleding van de ziel: het humanistische onderwijs was erop gericht ieder individu zijn eigen stem, stijl te geven. Eigen stijl verschaft eigen identiteit. Dus eigenlijk: "Le style, c’est l’homme même." Net als Petrarca was Salutati een eclectische stilist, maar hij gebruik minder stijlen. Voor filosofische en theologische onderwerpen gebruikte hij gewoon het scholastieke Latijn.

Voor latere humanisten lag de waterscheiding in de ontwikkeling van het humanisme tussen Salutati’s generatie en die van zijn opvolgers. De generatie na Salutati is de eerste die welsprekendheid gelijkstelt met redenaarskunst. Zij richt zich daarom primair op de studie en navolging van Cicero en zijn redevoeringen. Het stilistisch eclecticisme wordt verlaten. (Aan het einde van de 15e eeuw komt een nieuwe vorm van eclecticisme op, maar dan is de kennis van het antieke Latijn, zijn periodisering en stijlvariatie, veel groter, wat leidt tot betere stilistische resultaten.) Men probeert de stijl, de syntaxis en het woordgebruik van individuele auteurs te doorgronden. Later in de 15e eeuw leidt dit tot het fundamentalistische ciceronianisme, maar aan het begin van de 15e eeuw is de benadering minder star. In navolging van Giovanni Malpaghini (1346–1417), leermeester van de prominentste humanisten uit de vroege 15e eeuw, richt men zich op Cicero’s brieven en vooral zijn redevoeringen ter bestudering en inspiratie, om na te bootsen (imitatio) en mee te wedijveren (aemulatio). Hiermee vernieuwde men de Italiaanse traditie van de retorica, gevormd door de ars dictaminis, de ars arengandi en de ars praedicandi.

Pier Paolo Vergerio (1370–1444/5) legt zich als eerste toe op de redevoering. Daarmee treedt hij meer in de openbaarheid en op de (politieke) voorgrond, waardoor de belangstelling voor de nieuwe ideeën sneller ingang vindt bij grotere groepen in de maatschappij, en niet meer enkel bij specialisten zoals notarissen en advocaten. Centraal in Vergerio’s studieprogram staan: retorica, geschiedschrijving en ethiek. Het eerste beschouwde hij van eminent belang voor wie wil slagen in het openbare leven, en de andere twee disciplines staan daarbij de retorica ten dienste. In zijn program figureert het geloof niet: geen godsdienstonderwijs en geen noodzaak om de studie in dienst van het geloof te stellen.

Aan het begin van de 15e eeuw wordt Seneca definitief vervangen door Cicero (bovenal diens redevoeringen) als het antieke voorbeeld. Het gaat dan niet om slaafs na-apen, zoals aan het einde van de 15e eeuw, maar om generieke imitatie. Deze verandering gaat samen met de bewustwording van het feit dat het antieke Latijn geen monolithische medley van stijlen was, maar een organische taal met een diachrone ontwikkeling van de syntaxis en de woordenschat; en met de verwerping van de gedachte—gangbaar onder Petrarca’s navolgers—dat de navolging van de stijl van één antieke auteur een falsificatie van de eigen expressieve mogelijkheden en identiteit inhoudt. De bewustwording van de diachrone ontwikkeling wordt bevorderd doordat men zich nu vooral op proza richt: de voornaamste antieke voorbeelddichters leefden immers te kort op elkaar om echte verschillen aan het licht te brengen.

De voorbeeldfunctie van het ciceroniaanse Latijn heeft ook invloed op de manier van denken: men wordt zich bewust van de aard van Cicero’s taal—de kunstige, evenwichtige opbouw van lange perioden: orde, precisie, samenhang, alles op z'n eigen plaats. In het denken over en het beschrijven van niet-literaire zaken (zoals kunst en politiek) keren deze zelfde kwalificaties terug. De esthetische en functionele aspecten van Cicero’s stijl worden voor LEONARDO BRUNI (1370–1444) het ideaal van de politieke opbouw van Florence. Deze introductie van het politieke/publieke element in het humanisme is de grootste vernieuwing van Bruni’s generatie.

Ook inspireerde Cicero Bruni en anderen tot de overtuiging dat een oligarchische republiek de beste staatsvorm is. Vooral Cicero’s proza bood een uitweg uit de eeuwige interne conflicten in Florence door het dienen van een gemeenschappelijk goed als ideaal te poneren—waar de hoofse cultuur persoonlijke eer en trouw als hoogste goed beschouwde (wat tot kliekvorming aanzette). Rond 1400 oefende de studie van de antieken, zowel in de volkstaal als in het Latijn, al haast een eeuw zijn invloed op het politieke denken uit. Bovendien maakte lezing van Tacitus duidelijk dat met de komst van het principaat de ondergang van het Romeinse rijk ingezet had. Kortom, het Florentijnse patriciaat omarmde het ciceronianisme.

In Italië was het humanisme in de 14e eeuw vooral een geleerde, literaire beweging met weinig navolgers in lekenberoepen. Op universiteiten werden antieke auteurs al rond 1310 gelezen. In de tweede helft van de 14e eeuw werden in Italië antieke Latijnse auteurs ook op de Latijnse (basis)scholen in het lesprogram opgenomen. Maar pas rond 1400 werd de studie der klassieken als een essentiële voorwaarde voor de intellectuele ontwikkeling van een individu gezien, en was het curriculum van de stadsschool van Florence op humanistische leest geschoeid. Vanaf het begin van de vijftiende eeuw stuurde het Florentijnse patriciaat zijn kroost steeds vaker naar de lagere en retorica-scholen om een opleiding op humanistische grondslag te krijgen. Een humanistische schoolopleiding werd nu een "rite de passage" voor het verkrijgen van maatschappelijke status. Dit omdat men nu geloofde in de kracht van de "studia humanitatis" om het intellect te scherpen en om ethische principes aan te leren, niet als uit het hoofd geleerde spreuken aan de wand, maar ingebed in een historische context, in een historisch continuum dat ze ook voor de eigen tijd van praktische waarde maakte ("historia vitae magistra" ofwel "de geschiedschrijving is leermeester van het leven"). Na deze opleiding richtte men zich op zijn maatschappelijke loopbaan. De "studia humanitatis" fungeerden dus als onderwijsbasis, niet als levenslang ideaal.

Petrarca bestudeerde de Oudheid, omdat zij zowel intrinsiek interessant was als lessen voor de eigen tijd kon bieden, maar zijn christelijke overtuigingen botsten onafgebroken met haar heidense karakter. Petrarca richtte zich op persoonlijke (niet-publieke) deugdzaamheid. Salutati zorgde met zijn ambtsbrieven voor het maatschappelijk relevant maken van de bestudering van de antieke geschiedenis. Uiteindelijk slaagde Bruni erin—voortbouwend op de interesse voor en het geloof in de relevantie van de studie der klassieken, aldus geschapen in de 14e eeuw—om met behulp van Cicero’s redes een conceptuele structuur ter interpretatie van eigentijdse politiek en geschiedenis op te zetten—dus de studie van de antieken te beschouwen als meer dan louter een context voor incidentele ideeën of gebeurtenissen. Humanistisch opgeleide mensen zouden zo niet enkel moreel gesterkt zijn, maar vooral ook toegerust om vakkundig standpunten in te nemen in politiek actuele zaken.

Vooral Florence was het centrum van dit ciceronianisme, dat pas later en in mindere mate naar elders (Venetië, Milaan) uitzwermde, maar steeds ontdaan van zijn politieke ideologie (republicanisme). Zijn praktische waarde (nadruk op ethiek en spreekvaardigheid) bleef behouden, zij het dat die maar matig gewaardeerd werd op plaatsen waar de vrijheid van meningsuiting beperkt was (zoals bijvoorbeeld in Milaan onder de Visconti en Sforza).

In Lovati’s tijd was poëzie erg in zwang, maar door zijn navolging van de antieke poëzie probeerde hij in gesprek te komen met zijn Italiaanse voorvaderen. Evenals andere intellectuelen probeerde hij zo een model te vinden om Italië’s eigen-aardige karakter (in politieke constitutie, verstedelijking en seculierheid) te verklaren en legitimeren. Pas in de vijfde generatie (van Bruni en de zijnen) slaagden de humanisten erin anderen ervan te overtuigen dat kennis van de Oudheid en vaardigheid in het gebruik van antiek Latijn de sleutels waren tot hun eigen individuele en politieke bloei.

Het humanisme heeft allengs de verschillende genres veroverd, te beginnen bij de poëzie, eindigend bij de openbare brief en de redevoering. Voor humanisten had het Latijn een sterke intrinsieke kracht tot morele vorming en tot het verschaffen van een helder beeld van de werkelijkheid. Vanaf begin 15e eeuw worden voor het eerst ook Griekse bronteksten tot voorbeeld genomen.

Humanisten aan het begin van de 15e eeuw stonden voor hetzelfde dilemma als de eerste Latijnse kerkvaders: Hoe verwoord ik het christelijke gedachtegoed in klassiek Latijn? Het christelijke humanisme keerde terug met Valla’s generatie. Dit bevorderde sterk de verspreiding van het humanisme naar Noordwest-Europa, waar het aandeel van de geestelijkheid groter was.

top