HomeErasmus Online DatabaseNewsletterNederlands

Humanisme en beeldende kunst

Rodolphus Agricola (1444–1485) was een van de pioniers van het Italiaanse humanisme in de Nederlanden. Erasmus, die tot de volgende generatie humanisten in de Lage Landen behoorde, beschouwde hem als een voorbeeld en wegbereider. Zijn leven lang, door al zijn geschriften heen, heeft Erasmus zich niet anders dan in lovende zin over Agricola uitgelaten.

Behalve schrijver en wijsgeer was Agricola ook beeldend kunstenaar. Hij schilderde, maar enkel voor zijn plezier, als hobby, niet omdat hij daarin zijn levensvervulling zag. Veel geschreven over beeldende kunst heeft hij niet. Maar omdat Agricola zo’n fundamentele rol in de ontwikkeling van het humanisme in de Nederlanden en Duitsland heeft gespeeld, zijn al zijn observaties als waardevol te beschouwen, en dus ook de weinige woorden die hij wel aan de beeldende kunst heeft gewijd.

De meeste opmerkingen over dit thema staan in Agricola’s meesterwerk, "De inventione dialectica," een geleerde studie van de retorica en de dialectica. In het eerste deel van dit boek bespreekt hij alle noemers (loci) waaronder voorwerpen uit de werkelijkheid zijn te vangen. Voor de menselijke figuur onderscheidt hij er vijf: leven (anima), kleur (color), lichaamsgesteldheid (habitus corporis), vorm (figura) en grootte (magnitudo). In een ander verband illustreert hij het principe van het uitvoerende principe (causa efficiens) aan de hand van de architectuur. Daarin onderscheidt hij drie "uitvoerders" : de architect, de ambachtslui en hun gereedschappen. Deze categorieën zijn al terug te vinden in Italiaanse verhandelingen over bouwkunst.

Dit soort passages in Agricola’s boek, dat vanaf het begin van de 16e eeuw decennia lang grote populariteit genoot, zijn van belang, omdat zij mede bepalend werden voor de termen waarin over beeldende kunst werd gedacht en geschreven.

Agricola’s ideeën over beeldende kunst zijn kenmerkend voor een humanist. Het oog beschouwt hij als het belangrijkste zintuig: "Quanquam sint autem plura, quae audiendo possumus, quam videndo discere, latiusque aurium pateat sensus, certiora sunt tamen, quorum ipsi nobis oculis tradimus fidem." De beeldende kunst beschouwt hij als verwant aan de natuurwetenschappen: "Alius rem militarem, alius architecturam, alius pingendi fingendique rationem conscripsit. Quas artes tametsi non sum nescius non intra partem eam disciplinarum claudi, que rerum naturam scrutatur, tamen quia cognate sunt illi et ab eisdem fere prodeunt fontibus, non est, quod nunc in eo magnopere sim sollicitus, quando ad eundem ordinem redigendas putem."

Bij beeldende kunst genieten we niet van wat we zien, maar van hoe het is weergegeven, omdat we daarin het talent van de kunstenaar herkennen: "In pictura pleraque gratissima sunt propter solam imitationem, nec tam rem (quae pictura expressa est) quam ingenium miramur imitantis." Dit standpunt werd al door Italiaans humanisten uit de vroege 15e eeuw gehuldigd.

Evenals antieke auteurs als Cicero en Horatius illustreert ook Agricola aspecten van literaire techniek door analogieën met beeldende kunst. Zo beweert hij, dat een goede spreker net als een goede schilder of beeldhouwer in staat moet zijn om uit de juiste details en uit kleinere eenheden een groot en samenhangend geheel van de juiste proporties tot stand te brengen: "Quemadmodum enim nemo pictorem quempiam aut fictorem consummatum dixerit, qui omnia quidem seorsum membra exacte exprimeret, iungere autem ea nesciret et in eam habitudinem componere, ut motus aut actus alicuius quam vellet imaginem imitarentur, sic ne dialectici quidem nomen sibi vendicabit, qui omnia faciendae fidei invenire sciat, sed disponere et in ordinem redigere ... nesciat." In deze geest laakt hij iemand in een van zijn brieven: "Videtur mihi forte copiosius de arte potuisse dicere quam ex arte."

In Agricola's meesterwerk komen meer van zulke analogieën tussen woordkunst en beeldende kunst voor. Een daarvan is naar verhouding zo lang, dat daaruit wel geconcludeerd kan worden dat Agricola allerminst ongeïnteresseerd was in beeldende kunst: "Nam et pictor quamvis multa vel legerit vel audierit de figurarum ratione, et quo linearum ductu eminentia, quo reducta, quo directa in aspectum et ab oculis subsidentia, ipsaque velut in se delitescentia, quoque transversa item et totam ostendentia magnitudinem suam exprimenda sint: quae luminum, quae umbrarum vis, quanta colorum varietas, materia, mixtura: quam multiplex in corporibus partium diversitas, quae forma, quis color cuiusque, quae omnium inter se commensio (si audebimus Latine sic dicere, quod Graeci summetrian vocant), quis earum ordo, non modo ut nihil a natura distortum sit, sed ut dispositio earum motum quendam corporum animorumque repraesentet—cuncta haec quamvis a praeceptore perceperit, nisi tamen ipse admoverit tabulae manum et multa tentaverit, multam operam spe profectus perdiderit." Of, zoals Albrecht Dürer later zou schrijven: "Dann der verstandt muss mit dem gebrauch anfahen zu wachsen, also das die hand kuen thon was der will im verstand haven wil."

Wellicht het belangrijkste van deze passage is Agricola’s opsomming van visuele aspecten: luminum umbrarumque vis; colorum varietas; in corporibus partium diversitas; commensio of symmetria; ordo en dispositio; motus corporum animorumque. Hier verraadt zich de invloed van Leon Battista Alberti (1404–1472). In zijn verhandeling "De pictura" (1435) had Alberti zijn theorie van "lumina et umbrae" en van "vis luminum" (in het Italiaans aangeduid als "rilievo") uiteengezet. Het begrip "colorum varietas" gebruikte hij ter aanduiding van de kunstige afwisseling van tinten en schakeringen om een gewenst resultaat te verkrijgen. Ook de term "multiplex in corporibus partium diversitas" gebruikt Alberti; over het belang en de systematiek daarvan schrijft hij uitgebreid. Hetzelfde geldt voor het concept "motus corporum animorumque." Hierin zag Alberti een speciale toepassing van de algemene variatie van lichaamsbeweging. Het lijdt dan ook geen twijfel dat Agricola’s visie op schilderen door Alberti’s inzichten is beïnvloed.

Ook in Agricola’s beschrijvende kritiek van kunst zijn Italiaanse invloeden merkbaar. Zo beschrijft hij in een van zijn gedichten een middeleeuws schilderij of ets met daarop afgebeeld de Hemelvaart—een schilderij dat zijn patroon Johann von Dalberg, bisschop van Worms, op dat moment laat restaureren:

Prisca, Ioannes, amans artis monumenta perire
non sinis, in priscis tuque ferere viris.
Gemma nihil, nihil est aurum nisi terra, sed arte
crescit honos, artem secula nulla premunt.
Summa petit Christus. Spectat pia turba suorum.
Hic stupet, hic lacrimas fundit ac ille gemit.
Credas uelle sequi; vellent venientque, sed olim.
Additus his praesul tuque, Ioannes, eris.
Regna revisentem Christum et per inane meantem
finxit, uti spectas, ingeniosa manus.
Hoc finxisse maius fuit an fecisse? Deo nil
magnum; hominis magnum est fingier arte Deum.

De beschrijving van het tafereel is herkenbaar Italiaans in verwoording en voldoet eveneens aan Alberti’s eis van afwisseling in afgebeelde expressies: "Ita pro se quisque suum turbati animi indicium vultu et toto corpore praeferens, ut in singulis affectionum motus appareant."

In Italië had het humanisme op twee manieren invloed op de beeldende kunst. Het vergrootte het aanbod van onderwerpen voor kunstenaars met een scala aan nieuwe mythologische en symbolische verhalen en motieven, en het vernieuwde en verrijkte de concepten en termen waarin werd gedacht, gesproken en geschreven over kunst. Vooral in het laatste ligt Agricola’s belang bij de overdracht van het Italiaanse humanisme naar Duitsland en de Nederlanden. Hij maakte hier een bescheiden, maar duidelijk en belangrijk begin met dit proces van theoretisering in de kunstkritiek.

Literatuur

top