HomeErasmus Online DatabaseNewsletterNederlands

Leven

Erasmus leefde van ... ja van wanneer eigenlijk? In ieder geval wordt hij in de nacht van 27 op 28 oktober geboren en dan preciezer: in de vroege ochtend van 28 oktober, maar van welk jaar? Daar begint de discussie al. Op het Rotterdamse standbeeld staat 1467, sommigen houden het op 1469, maar sinds de grondige reconstructie van Harry Vredeveld uit 1993 houdt de moderne wetenschap het merendeels op 1466. Zeker is dat hij stierf in 1536, en wel in de nacht van 11 op 12 juli, vlak na de laatste klokslag van middernacht, dus op 12 juli 1536.

Naam

Erasmus heette vanaf zijn geboorte Erasmus. Hij dankt zijn naam aan de katholieke heilige Erasmus van Formiae, die in de 15e eeuw populair was en van wie ook Erasmus' vader Gerard een devote vereerder was. Dat hij eerst Geert Geerts (of Gerrit Gerritsz) zou hebben geheten, is een legende die pas in de 17e eeuw is ontstaan. Erasmus is in Rotterdam geboren, hoewel er een verhaal is dat hij zou zijn geboren in Gouda. Maar slechts een enkeling neemt dit serieus. Hiermee is meteen alles gezegd over de relatie van Erasmus met Rotterdam. Hij heeft er de eerste vier jaar van zijn leven gewoond. Daarna is hij naar Gouda vertrokken. Nooit is hij meer naar zijn geboorteplaats teruggekeerd. Na 1501 kwam hij zelfs niet meer in Holland, na 1521 niet meer in de Nederlanden. Dat hij zelf op latere leeftijd "Roterodamus" aan zijn naam heeft toegevoegd, verwijst naar zijn afkomst. Erasmus heeft met zijn naam geëxperimenteerd. Voordat hij in 1506 definitief de naam Desiderius Erasmus Roterodamus koos, noemde hij zichzelf in wisselende combinaties: Desyderius, Herasmus Roterdam, Rotterdammus, Rotterdammensis, Roterdamus. Zijn zelfgekozen naam Desiderius is waarschijnlijk bedoeld als Latijnse vertaling van zijn doopnaam Erasmus (Grieks: erao = Latijn: desidero).

Erasmus Roterodamus non Goudensis - de feiten.pdf

Geboortedefect

In zijn boeken noch in zijn brieven spreekt hij ooit van Rotterdam. Op een bekend houten borstbeeld staat: "Goudae conceptus, Roterodami natus" (in Gouda verwekt, in Rotterdam geboren). Het jaartal 1467 dat hierbij vermeld staat, is zoals gezegd omstreden. Erasmus was een onwettig kind. In die tijd spreekt men van een "defectus natalis" ofwel geboortedefect. Dat heeft natuurlijk weinig met zijn denken te maken, al heeft Erasmus zich veel zorgen gemaakt over alles wat met zijn geboorte te maken heeft, over zijn jeugd en over zijn leeftijd. Zijn vader is Gerard Rogerii, een priester uit Gouda. Zijn moeder is Margaretha, een dochter van een chirurgijn uit Zevenbergen. Haar zwangerschap heeft zij waarschijnlijk in Rotterdam doorgebracht om het "ongelukje" te verbergen. Al drie jaar eerder hadden zij samen een kind gekregen, Pieter. Zijn leven lang heeft Erasmus zijn onwettige geboorte met zich mee moeten torsen en de gevolgen moeten dragen van de geestelijke status waarin hij door zijn opvoeding is terechtgekomen. Door zijn afkomst heeft Erasmus zijn doctoraat in de theologie uiteindelijk aan de universiteit van Turijn moeten behalen, na vergeefse pogingen aan andere universiteiten. Pas rond zijn vijftigste (in 1517) wordt hij dankzij pauselijke dispensatie van de ernstigste maatschappelijke consequenties ervan verlost. Een voorbeeld van zo'n consequentie is dat het onwettige kinderen was verboden om theologische examens af te leggen. Erasmus heeft nogal met zijn levensverhaal gehaspeld, waarbij hij in zijn correspondentie met de paus gebruik heeft gemaakt van een achternaam die wellicht van moederszijde stamt. Al doende heeft hij zijn jeugdjaren gemystificeerd en zijn geboortejaar met onzekerheden omhuld.

 

Houten-borstbeeld.jpg Houten borstbeeld van Erasmus

Opschrift: "Desiderius Erasmus Goudae Conceptus Roterodami Natus Ao 1467 28 die Octobr"

Afkomstig uit Museum Het Catharina-Gasthuis te Gouda (cat. nr 561)

Erasmus schrijft over zijn "ontstaan" het volgende: "Ik ben geboren in Rotterdam. Mijn moeder was de dochter van een medicijnmeester uit Zevenbergen, mijn vader had heimelijk met haar een verhouding, in de hoop haar te trouwen. Hij was van tien broers de op één na de jongste en men besloot dat een van hen, mijn vader, aan God zou worden gewijd. Je kent de opvattingen van oude mensen op dat punt. En toen mijn vader zag dat hij met alle macht van het huwelijk werd afgehouden, deed hij wat wanhopigen gewoonlijk doen: hij ging ervandoor een schreef onderweg een brief, met twee handen samengevouwen en de woorden "vaarwel, ik zal je nooit meer zien." Maar intussen was de vrouw die hij gehoopt had te trouwen, zwanger van mij geworden. Zelf reisde hij naar Rome, werd een geleerd man en toen men hem bedrieglijk had geschreven dat zijn liefde gestorven was, is hij uit droefheid priester geworden. Haar heeft hij nooit meer aangeraakt, maar mij een royale opvoeding gegeven."

Volgens de Nederlandse historicus Johan Huizinga heeft Erasmus "meer gedaan om het geheim van zijn geboorte te omsluieren dan om het te openbaren." Erasmus geeft in zijn oeuvre meermalen aan dat zijn geografische afkomst niet belangrijk is. Zo schrijft hij in oktober 1520: "Het lijkt me weinig uit te maken waar iemand precies is geboren. Me dunkt, het is een ijdele vorm van verheerlijking wanneer een stad of een land er prat op gaat een mens te hebben voortgebracht die groot werd door zijn eigen inspanningen en zonder de hulp van zijn geboorteland. Het land dat iemand groot maakte, heeft er meer recht op zich op hem te beroemen dan het land dat hem voortbracht."

Karakter

"Met welke veren wij ons ook mogen bedekken, wij zijn allemaal mensen en geen engelen."

Wie was de mens Erasmus? De sterkste eigenschappen van Erasmus zijn waarschijnlijk zijn onverdroten werklust en zijn doorzettingsvermogen. Er is veel te leren van de manier waarop Erasmus altijd, ondanks ziekte en geldgebrek, zijn eigen interesses is blijven volgen. Erasmus beweert in zijn correspondentie herhaaldelijk ziek te zijn. Wanneer hij het over zijn lichamelijke gesteldheid heeft, is dat meestal in klagende zin. Hij heeft ook het een en ander onder de leden gehad en hij was als de dood voor de pest. Toch schrijft hij ergens (na weer eens een klaagzang ten beste te hebben gegeven) dat de meeste ziekten slechts hersenspinsels zijn. Even permanent als zijn hypochondrie is zijn bekommernis om geld. Eerst om inderdaad het hoofd boven water te houden, maar later toch ook uit een zucht naar bezit. In zijn periode van acute geldnood omstreeks 1500 heeft hij een aantal brieven geschreven waarin hij zijn mogelijke begunstigers honing om de mond smeert. Erasmus toont zich dan een vleier die in brieven aan derden echter het tegendeel blijkt te kunnen beweren van wat hij schrijft om in het gevlij te komen. Uiteindelijk is Erasmus betrekkelijk welgesteld als hij sterft.

Laatbloeier

In alle omstandigheden probeert Erasmus zelf te bepalen wat van belang is. Zijn vermogen zich te concentreren is de belangrijkste basis voor zijn vruchtbaar schrijverschap. Concessies worden door Erasmus wel gedaan, maar niet in de werken die wij nu als zijn belangrijkste beschouwen. Als men Erasmus' totale productie overziet, kan men niet anders dan zich verbazen over de omvang, zeker als men zich realiseert dat het merendeel tot stand is gekomen na 1500, dus binnen zo'n 35 jaar. Uit de betrekkelijke laatbloeier waarover anderen zich zorgen maakten of hij wel genoeg studeerde, ontspruit uiteindelijk een van de vruchtbaarste publicisten uit de wereldgeschiedenis. Dat is des te opmerkelijker omdat hij heel wat uren heeft besteed aan het geven van privé-onderwijs, al moeten we ons dan meteen bedenken dat menig toehoorder al schrijvend Erasmus ten dienste stond. Toch geldt dat hij waarschijnlijk heel wat onderwijsuren liever zou hebben besteed aan lezen en schrijven in de beslotenheid van zijn studeerkamer.

Gevoelig voor het oordeel van anderen

Of Erasmus steeds even aangenaam in de omgang is geweest, is de vraag. In zijn omvangrijke briefwisseling is menige opmerking te vinden die laat zien dat Erasmus heel onbillijk kan zijn. Wanneer men zijn meningen volgt, is er weinig mis, maar als de meningen verschillen, kan Erasmus erg onredelijk uit de hoek komen, op het kinderachtige af. Huizinga komt in zijn biografie dan ook tot de slotsom dat Erasmus' lichtgeraaktheid grootheid van karakter in de weg stond. Ook stoort Erasmus zich veel aan wat anderen van hem denken en getuigt hij van zijn gelijkhebberigheid.

In vrijwel elke discussie laat Erasmus in eerste instantie merken dat men hem niet goed heeft begrepen. Zijn hele wijze van poneren en reageren is daarop gebaseerd. Wanneer Erasmus iets beweert, moet men verdraaid goed lezen om erachter te komen wat hij werkelijk bedoelt. Hij formuleert zo handig dat er altijd wel kan worden gezegd dat er niet staat wat er staat. Op elke beschuldiging antwoordt Erasmus tot woede van zijn vijanden: "Zo heb ik het niet gezegd." Hij maakt omtrekkende bewegingen rondom zijn eigen standpunten. Nooit is hij direct aanspreekbaar en op die manier onttrekt hij zich aan de consequenties van zijn denken. Het duidelijkst is dat het geval wanneer hij zich kan verschuilen achter door hemzelf opgevoerde personages, zoals in de Lof der Zotheid of in de Gesprekken. Niet voor niets heeft hij dat laatstgenoemde werk van een gebruiksaanwijzing voorzien.

 

Erasmus Holbein.jpg
Snel geprikkeld en erg onrustig

Erasmus volgens Holbein: rustig en sereen. Dit beeld is nooit werkelijkheid geweest, Erasmus was tot op hoge leeftijd snel geprikkeld en juist erg onrustig.

Erasmiaanse bescheidenheid

Erasmus is eigenwijs en betweterig. Terwijl hij zich bescheiden en nederig voordoet en voortdurend zichzelf bekritiseert, is hij er een meester in om anderen zijn normen en waarden op te dringen. Tijdens zijn leven ontstaat het begrip "Erasmiaanse bescheidenheid" of "terughoudendheid" (Erasmica modestia). Dit betekent zoveel als superioriteit in nederigheid. Het begrip omsluit niet alleen zijn betweterigheid, maar ook zijn ijdelheid. Erasmiaanse bescheidenheid is een merkwaardige mengeling van ijdelheid en bescheidenheid. Natuurlijk heeft Erasmus niet zelf het begrip "Erasmiaanse bescheidenheid" gemunt. Zeer geprononceerd komt de term voor in een brief die de Engelse geestelijke Edward Lee (ca. 1482-1544) in februari 1520 aan Erasmus schrijft. Lee verblijft op dat moment evenals Erasmus in Leuven. Hij valt Erasmus fel aan in verband met diens uitgave van het Nieuwe Testament. In zijn brief heeft Lee het over de "Erasmiaanse bescheidenheid" als ware dat een algemeen gangbare zegswijze. De context waarin Lee de uitdrukking gebruikt, is van belang om de lading van het begrip op waarde te schatten. Vrienden van Erasmus in Duitsland en Engeland hebben zich op Lee en zijn kritiek gestort en hem uitgemaakt voor alles wat lelijk is. Bovendien laat ook Erasmus zelf zich niet onbetuigd. En om de zaken nog erger te maken wordt Lee in Leuven zelf belachelijk gemaakt in een spotschrift dat sommigen aan Erasmus toeschrijven. In werkelijkheid is het door een op dat moment toegewijde jongere vriend van Erasmus geschreven. Lee voelt zich zwaar in het nauw gedreven en in die situatie heeft hij de term "Erasmiaanse bescheidenheid" gebruikt.

Erasmus' kleine kant

Het is opvallend dat enkele vertrouwde vrienden Erasmus trachten te weerhouden van al te fel verweer. Thomas More gebruikte in dit verband de term "christelijke terughoudendheid" (christiana modestia). Het vermaan heeft weinig effect, want Erasmus blijft ongemeen fel van leer trekken. In deze controverse toont Erasmus zijn kleine kanten, waarmee hij ruimschoots aanleiding geeft om hem van "Erasmiaanse bescheidenheid" te betichten, temeer omdat Erasmus zelf zich bij voortduring beroept op zijn gematigdheid en zijn bescheidenheid. Ronduit schitterend is de beschrijving van Erasmus zelf over zijn werk als mogelijk onderwerp van wat wij tegenwoordig een hype zouden noemen:

"Anderen hebben een nieuw soort beroemd boek uitgevonden. Groepsgewijs is samengezworen … dat men nergens niet over Erasmus leutert. Hij gaat over de tong bij drinkgelagen, op markten, tijdens vergaderingen, bij kwakzalvers, bij wedstrijden, bij kappers, in bordelen, tijdens besloten en openbare lezingen, in schoolse verhandelingen, in gewijde preken, in heimelijke discussies en geheime bekentenissen, op boekenmarkten, in armeluis logementen en in de verblijven van de rijken, in vorstelijke paleizen, bij bijgelovige grijsaards, bij rijkaards, bij het onwetende volk en bij stomme oude wijven..."

Erasmus zoekt het natuurlijk niet, integendeel: deze passage staat juist in een context waarin Erasmus beweert te willen voorkomen dat zijn werk op die manier over de tong zou gaan, maar hij denkt er wel aan en weet het feilloos te formuleren. Erasmiaanse bescheidenheid?

Erasmus de Eenzame

Dan is er nog de kwestie van Erasmus' eenzaamheid. Deze man, die zeer veel vrienden heeft, blijft in zijn hart eenzaam. En dat is ook wat hij wil. Een reden hiervoor is dat contacten met mensen hem van zijn stuk brengen, wellicht doordat hij zich teveel van hun mening aantrekt. Erasmus is op zijn best als hij op een onpersoonlijke manier tot iedereen spreekt. In zijn meer persoonlijke stukken is hij vaker dan in de rest van zijn werk te betrappen op niet gemeende vriendelijkheden of ronduit vleierijen, koketterieën, verzwijgingen, reserves, hatelijkheden en ontwijkingen.

Vrienden

Ondanks die eenzaamheid vormen vriendschappen een belangrijk aspect van Erasmus' leven, al lijkt hij soms wel wat lichtvaardig met vrienden te zijn omgegaan. Bekend is het voorbeeld van zijn jeugdvriend Willem Herman. Zelf kort tevoren enthousiast geworden voor de studie van het Grieks, wil Erasmus ook zijn vriend ervan overtuigen dat hij daaraan veel tijd moet gaan besteden. Speciaal om deze reden reist hij naar Haarlem, waar Willem Herman op dat moment woont. Als Willem ontwijkend reageert, druipt Erasmus teleurgesteld af met de verzuchting dat hij niet alleen het geld van de reiskosten heeft verloren, maar ook een vriendschap.

Erasmus is vrijwel voortdurend omgeven geweest door een groep toegewijde vrienden. Waar hij ook komt, steeds weet hij mensen voor zich te winnen. Meer dan eens heeft hij gedurende langere tijd bij anderen gelogeerd zonder dat daarover veel problemen schijnen te zijn gerezen. Zelf geeft Erasmus ook gastvrijheid aan anderen, zij het dat er dan dikwijls sprake was van inwonend personeel. Toch kan tegen het eind van zijn leven iemand als de Portugese humanist Damião de Goís (1502-1574) in 1534 gedurende enige tijd in Freiburg im Breisgau bij Erasmus logeren.

In zijn jonge jaren neigde Erasmus tot dweperij, wat het duidelijkst aan het licht treedt in de brieven die hij rond zijn twintigste levensjaar aan zijn wat oudere vriend Servatius Rogerus heeft geschreven: "Jouw naam heb ik op mijn tong, jou draag ik bij me in mijn hart, jij bent mijn enige hoop, jij bent de helft van mijn ziel, de troost van mijn leven; als jij er niet bent, heb ik nergens plezier in; als jij er bent, is niets onaangenaam; als ik zie dat jij opgewekt bent, vergeet ik al mijn verdriet; als jou iets onaangenaams overkomt, bij alle goden, dan lijd ik er meer onder dan jijzelf."

Uit de tekst van de brieven aan deze Servaas hebben sommigen meer dan normale vriendschap vermoed en verondersteld dat Erasmus homoseksueel geaard was. Zekerheid daaromtrent is verder nergens te vinden, behalve dan dat Erasmus altijd was omgeven door jongeren die bij hem in dienst stonden. Ook de verhouding met Damião de Goís zou in dat patroon kunnen worden gepast, al is deze al wat oudere jongere niet in Erasmus' dienst geweest. Erasmus is in de loop van zijn leven steeds geslotener geworden. Uiteindelijk waakt hij ervoor zich van zijn kwetsbare kant te laten zien.

Vijanden

Naarmate Erasmus ouder wordt, krijgt hij steeds meer vijanden, hoewel hij zelf zozeer naar harmonie streeft in zijn relaties. Hij heeft nooit goed begrepen hoezeer hij mensen van zich kon vervreemden door zijn scherpe pen. Herhaaldelijk vindt hij dan dat hij alweer verkeerd wordt begrepen. Als in zijn directe omgeving de tegenstellingen meer en meer nopen tot partijkeuze, is juist Erasmus' houding aanleiding tot verwijdering van menigeen die hij aanvankelijk als vriend had beschouwd.

Luther heeft hij nooit persoonlijk ontmoet, maar het is zeer de vraag of iemand als Luther ooit tot Erasmus' vriendenkring zou kunnen hebben behoord. Hun verwijdering is hoe dan ook exemplarisch en groeit uit tot een wederzijdse afkeer. Onmiskenbaar heeft ook deze strijd bijgedragen aan Erasmus' eenzaamheid. In ieder geval is Erasmus herhaaldelijk verbaasd hoezeer zijn weigering om partij te kiezen nadere verstandhoudingen in de weg heeft gestaan.

In zijn laatste jaren heeft Erasmus duidelijk zijn teleurstellingen beleefd en zijn bitterheden geproefd, maar desondanks houdt hij contact met vertrouwde correspondenten en blijft hij schrijven over zaken als de eenheid van de kerk en de voorbereiding op de dood. Zijn geschriften geven dan eerder blijk van berusting dan van verbittering.

top