HomeErasmus Online DatabaseNewsletterNederlands

Luther

Luther veroorzaakt verdeeldheid in Europa

De ironie wil dat diezelfde door Erasmus zo geprezen aartsbisschop hogelijk profiteerde van de aflaatkramerij die Luther zozeer had aangevallen, omdat de prelaat de helft van de opbrengst ervan was toegezegd om zijn schulden te betalen. Die had hij moeten maken om zijn kerkelijke functies te kunnen betalen (zo ging dat in die dagen: ook toen was alles te koop), een praktijk die Erasmus overigens net als Luther te pas en te onpas aan de kaak heeft gesteld. Luthers aanhang groeide snel. De drukpersen maakten overuren en binnen een maand nadat Luther zijn stellingen in Wittenberg had geopenbaard, was heel Europa ervan op de hoogte. Erasmus zelf zond in het voorjaar van 1518 de stellingen zonder commentaar aan zijn Engelse vriend Thomas More en schreef tegelijkertijd aan zijn andere Engelse vriend en collega John Colet hoezeer hij zich ergerde aan de schaamteloze aflaatkramerij.

Wat niemand kon bevroeden, bleek ineens een dwingende werkelijkheid. Geestelijken en wereldlijke leiders zagen zich gedwongen hun positie te bepalen: vóór of tegen Luther. De verdeeldheid was groot. Opstanden en revoluties waren het gevolg en uiteindelijk resulteerden de tegenstellingen in een aantal godsdienstoorlogen die Europa meer dan een eeuw teisterden. Ons land heeft daaraan zijn ontstaan te danken. De geloofsstrijd was zeker één der gewichtigste factoren voor het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog (1568-1648), die uitliep op de Vrede van Munster waar de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden internationaal werd erkend.

Erasmus verdacht

In eerste instantie is Erasmus nog positief in zijn mening over Luther, want inhoudelijk is hij het grotendeels met hem eens. Beiden hebben kritiek op misstanden binnen de kerk en de heersende theologie en ze willen een gezuiverde kerk. Als de zaken zich echter aanscherpen, probeert Erasmus zich op alle manieren buiten de discussie te houden. Voor alles ziet Erasmus in het rumoer rond Luthers optreden een gevaar voor de bonae litterae, de studie van de schone letteren die hem boven alles ter harte gaat. Daarom dringt hij er bij zijn Baselse drukker Froben op aan, geen werken van Luther uit te geven. Anderzijds beweert hij in een brief aan Luthers medestander Melanchthon dat hij ervoor heeft gezorgd dat Luthers boeken in Engeland niet op de brandstapel belandden, wat op dat moment overigens allang was gebeurd. Erasmus kon de strijd niet ontlopen. Hij wordt ervan beticht Luther te hebben geholpen, wat hij in een schrijven aan Luther zelf natuurlijk ontkent. Sterker nog, hij beweert dat hij Luthers boeken niet heeft gelezen en dat hij dus ook niets ervan heeft kunnen goed- of afkeuren. Ook in Leuven zelf wordt Erasmus het vuur na aan de schenen gelegd. Er komt een informeel onderzoek naar de geschriften van Erasmus. Men denkt dat Erasmus een aanhanger van Luther is; in ieder geval had hij Luther zijn ideeën aangereikt. Omdat Erasmus niet duidelijk stelling neemt in het lutherse drama, is hij in beide kampen verdacht. Een vriend schrijft hem dat hij door beide partijen wordt verfoeid. Hij wordt bij de lutheranen verdacht én door Rome en aanhang aangezien voor de aanstichter van de opstandigheid. In zijn eerste brief aan Luther van 30 mei 1519 schrijft Erasmus:

"Zelfs het meer dan dwaze vermoeden dat uw verhandelingen met mijn hulp geschreven zouden zijn en ik, zoals ze het uitdrukken, de vaandeldrager van deze partij zou zijn, kon tot op heden niet uit hun verstand worden verdreven."

Klik hier voor de volledige vertaling van deze brief.

Luthers scheldpartijen

Erasmus streeft naar eenheid binnen de kerk en wijst Luthers revolutionaire en harde aanpak af. Hij vindt Luther te veel gevuld met passie, iets dat zich niet laat rijmen met de kalme vroomheid van een ware christen. Erasmus wil vrede, geen tweespalt en strijd. In zijn ogen waren scheuring en ketterij het grootste kwaad. Luther voelt weinig verwantschap met Erasmus en in 1517 schrijft hij al: "Ik lees onze Erasmus en hou er steeds minder van." Luther houdt niet op met het schrijven van hatelijke en opstandige verklaringen, waardoor hij Erasmus meer en meer van zich vervreemdt. Erasmus blijft altijd beleefd tegenover Luther, die hem op zijn beurt vaak uitscheldt: een oude zak, een pornograaf, een mooiprater, een onvroom warhoofd, een godlasteraar met modderige en vuile ideeën. Enkele ferme uitspraken van Luther over Erasmus:

  • Ik haat Erasmus, ik haat hem uit alle kracht. Ik beschouw hem als de grootste vijand van Christus, zoals er eeuwenlang geen is geweest.
  • De schurken van zijn soort willen alles meten met hun verstand, dat maar een el lang is.
  • Erasmus is, zoals zijn gelaatstrekken het aantonen, een mens vol list en boosheid, die zowel met God als met de godsdienst spot.

Het is misschien maar goed dat Erasmus en Luther elkaar nooit persoonlijk ontmoet hebben. Tegen het einde van zijn leven, in 1535, zal Erasmus nog in een brief aan de Portugees Damiao de Gois verzuchten: "De man raast maar door en koestert zijn moorddadige haat."

Erasmus kiest partij

Luther wordt veroordeeld in de pauselijke bul Exsurge Domine, gepubliceerd op 21 september 1520. Hierin worden 41 dwalingen van Luther vermeld op grond waarvan hij wordt geëxcommuniceerd. Deze actie vanuit Rome keurt Erasmus af: "Ik heb altijd een voorkeur gehad voor een verbeterde en niet voor een vervolgde Luther."

Paus en keizer proberen Erasmus over te halen om stelling te nemen tegen Luther. Hem wordt een bisschopsmijter en zelfs een kardinaalshoed aangeboden, maar Erasmus wil onpartijdig blijven. In een brief uit 1519, die later aan de "Colloquia" zal worden toegevoegd, heeft hij al gezegd: "Ik ben noch zijn aanklager noch zijn verdediger noch zijn rechter."

In 1521 vindt de historische Rijksdag van Worms plaats. De rijksdagen zijn vergaderingen van vorsten van het Duitse Rijk, een soort "vorstelijk" parlement van dat Rijk. Hier wordt Luther na de kerkelijke ban door de keizer in de Rijksban geslagen: de wereldlijke Rijksban. Luther zou toen de beroemde woorden hebben gesproken: "Hier sta ik, ik kan niet anders." In 1521 kan Erasmus niet langer onpartijdig blijven in de wereld van tegenstellingen. Zijn positie beschrijft hij als volgt: "Christus erken ik, Luther ken ik niet; ik erken de Roomse kerk, die volgens mij niet in strijd is met de algemene kerk (de catholica). Zelfs de dood zal me niet van haar scheiden, tenzij ze zich openlijk van Christus zal losscheuren." Erasmus vertrekt dat jaar uit Leuven omdat de theologen daar erop blijven aandringen dat hij stelling neemt tegen Luther.

Erasmus wil fluwelen hervorming

Erasmus blijft het met Luther eens op het gebied van een aantal wezenlijke geloofspunten. Erasmus staat positief tegenover een hervorming van de katholieke kerk, zolang de eenheid (concordia) maar bewaard blijft. Zowel Luther als Erasmus staan een individualisering van het geloofsleven voor. Kerkelijke symbolen en de nadruk op uiterlijkheden zijn hiervoor overbodig, de Schrift is genoeg (vandaar de leus "sola Scriptura"). Erasmus heeft al vaker in zijn leven aangedrongen op een vergeestelijking van het geloofsleven, onder andere in de Lof der Zotheid. De nadruk op de verinnerlijking van het geloofsleven is een belangrijke pijler van zijn "philosophia Christi." Op deze manier heeft Erasmus dus de weg vrijgemaakt voor de hervorming van de kerk. Maar in de felheid en het revolutionaire karakter van Luther en de hervorminsgezinden kan hij zich niet vinden. Dit kan alleen maar leiden tot een scheuring binnen de kerk.

 

Filos-luther-metsys3.jpg

Erasmuspenning door Quinten Metsys, 1519.
Voorzijde: Profiel van Erasmus.
Achterzijde: Terminus en de spreuk Concedo Nulli, 1519.
(Erasmushuis Brussel)


Een laatste verzoeningspoging

Op 23 januari 1523 schrijft paus Adrianus VI een smeekbede aan Erasmus: "We smeken u in de Heer en vragen u in de grootste ernst en in de volheid van de genade dat u zich erop toelegt om ons met alle gaven die God u heeft verleend, een uitweg te wijzen en een redelijke manier aan de hand te doen om dit afschuwelijke kwaad te verwijderen uit onze gemeenschap, zolang het nog niet ongeneeslijk is."

Erasmus is niet langer doof voor de smeekbedes van de geestelijke en wereldlijke leiders. In 1524 verschijnt van zijn hand "De libero arbitrio" (Over de vrije wil). Dit werk is bedoeld om tot een verzoening te komen in de controverse met Luther. Erasmus verheft de tegenstelling tot een academische discussie van theologen, en hoopt op deze manier overeenstemming te bereiken. Maar ook nu kiest hij niet duidelijk tegen Luther of voor de katholieke kerk. Zijn streven blijft de scheuring van de kerk te voorkomen. Maar ook uit overtuiging gaat hij niet de strijd aan: hij is altijd pacifist geweest. "Er is niets dat ik zo verwerp als de twist, niet alleen vanuit de leer van Christus, maar ook door een mij ingeboren stille kracht."

Erasmus blijkt met zijn geschrift over de vrije wil de zaak toch geheel verkeerd te hebben ingeschat. Luther antwoordt furieus met een geschrift getiteld "De servo arbitrio" (Over de onvrije wil). Waar Erasmus meent dat de mens een vrije wil heeft, beweert Luther dat de mens onmachtig is en alleen door genade tot geloof in God kan komen. De vrije wil bestaat volgens hem niet en Erasmus wordt beschuldigd van goddeloosheid. God en mens staan volgens Luther op onoverbrugbare afstand van elkaar, waarbij de mens geheel en al is overgeleverd aan de genade van God. Erasmus gelooft daarentegen dat de mens vrij is om het aanbod van Gods genade wel of niet aan te nemen.

Scheuring onvermijdelijk

Uit een brief uit 1525 wordt duidelijk dat Erasmus min of meer tegen wil en dank kamp heeft gekozen: "Ik weet mij katholiek, niet zozeer omdat ik in vrede leef met de paus, met de keizer, met Ferdinand (de Duitse koning), met mijn bisschoppen, maar juist omdat de lutheraanse partij niemand meer haat dan Erasmus."

Op dat moment is heel Europa in een tweestrijd verwikkeld, en niets, ook Erasmus niet, zal de scheuring van de kerk meer kunnen tegenhouden. Ulrich Zwingli (1484-1531) en Johannes Oecolampadius (1482-1531), leerlingen van Erasmus, staan aan het hoofd van een tweede Hervormingsbeweging. In hun strijd tegen de uiterlijke kenmerken van de godsdienst komt het op 9 februari 1529 in Basel tot een beeldenstorm. De stadshervorming maakt Basel tot een protestantse stad. Dit doet Erasmus besluiten om naar Freiburg im Breisgau te gaan.

De tragiek van Erasmus

De persoonlijke tragedie van Erasmus is dat hij tot op de dag van zijn dood halsstarrig vasthoudt aan zijn ideaal van een ongedeelde kerk, met één enkele kudde. Wat Erasmus kwetsbaar maakt, is dat hij een onderscheid maakt tussen aan de ene kant de doctrine van de kerk als zodanig en aan de andere kant het morele verval. Hij wijkt nooit af van de leer: "Ik geloof wat de katholieke kerk gelooft."

Luther voelt zich verraden, omdat Erasmus katholiek blijft ondanks hun gedeelde kritiek op deze kerk. De katholieken op hun beurt voelen zich bedreigd door het commentaar dat Erasmus op de kerk heeft. In 1525 schetst Erasmus in een brief aan Celio Calcagnini haarscherp het spanningsveld waarin hij zich bevindt:

"Overigens zie ik dat het mijn lot is om door beide partijen te worden gestenigd, terwijl ik juist m’n best doe om beiden raad te geven. Daar bij u in Italië en in Brabant ben ik lutheraan, maar in heel Duitsland, waar ik leef, ben ik anti-lutheraan; zo zeer, dat degenen die partij kiezen voor Luther, op geen sterveling woedender zijn dan op mij. Mij bij uitstek verwijten ze dat ze niet over de Paus triomferen."

Tot aan zijn dood in Basel zal hij blijven leven in de gedachte steeds onbegrepen te zijn. In zekere zin is Erasmus slachtoffer geworden van zijn tijd. Naast de religieuze controverse speelden sociale, politieke en economische factoren een grote rol. In de periode 1517-1536 verandert Erasmus van toonaangevend intellectueel figuur in een teleurgestelde, geïsoleerde en met zijn gezondheid kwakkelende man: "Ik had in Luthers kerk één van de coryfeeën kunnen zijn, maar ik wilde liever de haat van heel Duitsland op mij laden dan van de gemeenschap der Kerk te scheiden." Van harte kan dit nooit zijn geweest, want meteen merkt hij op: "Ik verdraag deze kerk daarom totdat ik een betere zie, en zij is gedwongen mij te verdragen totdat ik beter word."

 

top