HomeErasmus Online DatabaseNewsletterNederlands

Pacifisme

"Het is veel mooier een stad te bouwen dan te verwoesten."

De strijd als zotheid

"Is niet de oorlog het zaad en de bron van alle hooggeprezen daden? Maar is er iets zotters te bedenken dan om de een of andere reden een strijd te ondernemen die alle partijen meer schade dan voordeel berokkent?"

Dit zegt Mevrouw Zotheid in De Lof der Zotheid (Moriae Encomium ofwel Laus Stultitiae). Nu moeten we haar niet al te serieus nemen, ze is immers de zotheid zelf. Maar het argument dat elke oorlog meer schade dan voordeel oplevert, is door alle pacifisten (Erasmus inbegrepen) uitentreuren herhaald om oorlogszuchtige machthebbers op vreedzamere gedachten te brengen.

Oorlog in de tijd van Erasmus

Hoe zag een oorlog er ten tijde van Erasmus uit? Met het verdwijnen van het feodalisme kwam er ook verandering in het laat-middeleeuwse krijgsbedrijf. Veldslagen met veel gracieus, maar weinig effectief riddervertoon behoorden tot het verleden. Staande huurlegers en kanonnen bepaalden steeds meer de nieuwe oorlogsvoering. Steeds vaker werd gebruikgemaakt van het kanon, met name als verdedigingswerktuig van de stad. Huurlegers, waarvan veel Zwitsers deel uitmaakten, waren nog dikwijls ongedisciplineerd. Naast de regelmatige veldslagen bestond er een voortdurende oorlogsterreur in de vorm van struikrovers en bendes. Vooral de mensen buiten de stadsmuren (boeren, dorpelingen en reizigers) hadden het hiervan zwaar te verduren. Tussen een struikrover en een (huur)soldaat viel nauwelijks onderscheid te maken, omdat de soldaat als hij geen soldij kreeg, onmiddellijk het land begon af te stropen op zoek naar buit.

Erasmus anti-paus

Een belangrijke gebeurtenis die bij Erasmus leidt tot grote afschuw van oorlog, is de intocht van de krijgshaftige paus Julius II in Bologna in 1506, tijdens Erasmus' Italiaanse reis. Dit leidt tot een geschrift genaamd Julius buiten de hemelpoort (Iulius exclusus). Het is gericht tegen de oorlog en tegen de oorlogszucht van deze paus. Over dit geschrift bestaan tot op de dag van vandaag veel meningsverschillen. Erasmus zelf heeft altijd beweerd dat hij het niet heeft geschreven, maar de meeste geleerden zijn het er tegenwoordig over eens dat Erasmus dit alleen maar ontkende uit angst voor de toorn van de paus. Jaren later, Erasmus loopt dan al tegen de vijftig, schrijft hij een brief aan één van zijn beschermers, Antonie van Bergen, waarin hij nog eens al zijn argumenten tegen de oorlog uiteenzet.

Erasmus’ argumenten tegen de oorlog

Christendom en oorlog zijn absoluut onverenigbaar. Een oorlog ontaardt altijd in wreedheid, of hij nu wordt gevoerd door heidenen of door christenen, door gewone mensen of pausen en bisschoppen, door jongeren of ouderen.

Alle dieren zijn door de hemel voorzien van bepaalde wapenen, behalve de mens. Uit zijn lichaamsbouw en geestelijke vermogens blijkt dat de mens is geschapen voor liefde en vriendschap.

De mens is het enige wezen dat langdurig afhankelijk is van hulp van buiten. Een baby kan namelijk niet lopen en niet zelf eten. Slechts door te schreien en te schreeuwen kan hij om hulp vragen. Hierom is de mens geschapen voor vriendschap, want wat bevordert vriendschap meer dan wederzijds hulpbetoon?

Eigenbelang

Soms zijn de bezwaren die Erasmus tegen de oorlog aanvoert, meer van persoonlijke en praktische aard. Ten eerste beschouwt hij oorlog als het bedrijf van ongeletterde lieden waarboven een intellectueel zoals hijzelf zich verheven voelt. Ten tweede spelen persoonlijke ongemakken zoals hij die zelf in tijden van oorlog ondervindt, een rol. Voorbeelden hiervan vormen de schaarste aan goede wijn en verhoogd gevaar tijdens het reizen.

 


Michael Ostendorfer : Veldtocht tegen de Turken in 1529
(Neurenberg, Germanisches Nationalmuseum)

Deze houtsnede van een tijdgenoot van Erasmus is een verslag van de eerste poging van Karel V om in 1529 de Turken in Oostenrijk tegen te houden. Het was in die tijd dat het Ottomaanse (Turkse) rijk van de sultans zeer machtig was en zijn grenzen enorm wist uit te breiden. Karel V slaagde in zijn missie, maar een definitieve overwinning behaalde hij niet. In 1532 werd opnieuw strijd geleverd bij Wenen. Deze afbeelding toont de verzamelde legers van Karel V. Op de achtergrond links ligt Baden, een plaats dichtbij Wenen.

 

 

Erasmus pacifisme Turkenveldtocht.jpg

Kanttekeningen bij Erasmus' pacifisme

Erasmus’ verontwaardiging geldt vooral het tegen elkaar strijden van christenen. Zijn pacifisme is niet absoluut: Een land mag zich tegen een buitenlandse agressor (christelijk of niet) verdedigen. Hetzelfde geldt tegenover binnenlandse opstandelingen. Daarom meent Erasmus dat oorlog tegen de Turken (die immers Europa binnendrongen) geoorloofd is, net als militaire actie tegen revolutionaire wederdopers. Voorzover ketters echter niet gewelddadig waren, moesten ze volgens Erasmus mild behandeld worden. Ook Turken (moslims) mochten niet met geweld tot bekering worden gedwongen. Wanneer zij zich niet bekeerden, was dat in Erasmus’ ogen vooral de schuld van de christenen, die door hun manier van leven het slechte voorbeeld gaven. Turken mochten dus alleen worden gedood voorzover zij agressors waren, niet omdat zij moslims waren.

In dit verband heeft Erasmus een uitspraak gedaan die vaak verkeerd wordt begrepen of geciteerd: In zijn Enchiridion (Handboekje van de christenstrijder) schrijft hij dat een arts de ziekte moet bestrijden, niet de zieke, en hij vervolgt: "Men moet de Turk doden, niet de mens." Erasmus bedoelt dat de concrete Turk — de Turk als persoon — niet mag worden gedood, maar wel zijn ‘Turksheid’, dat wil zeggen: zijn ongeloof. Natuurlijk blijft ook dan ‘Turks’ voor Erasmus een negatief begrip, maar, anders dan wel wordt gedacht, roept hij zeker niet op tot geweld.

Evenzo schrijft Erasmus in zijn toelichting op het spreekwoord De sileen van Alcibiades: "Ik wil dat pausen gebrand zijn op oorlog, maar tegen de ware vijanden van de Kerk, simonie, hoogmoed, wellust, eerzucht, woede, goddeloosheid. Dat zijn de Turken die wij, christenen, altijd in het oog moeten houden, altijd moeten bestrijden. Dit is het soort oorlog waartoe een bisschop moet oproepen en waarin hij een leidersrol moet spelen." (Adagia, nr. 2201, vert. Jeanine De Landtsheer)

Voor het jodendom van zijn tijd had Erasmus geen belangstelling. Volgens hem was het joodse geloof (Oude Testament) achterhaald door de geboorte van Jezus Christus (Nieuwe Testament). De joodse wetten deden hem ook te veel denken aan de kerkelijke wetten die hem benauwden. Hoe jammer misschien ook voor ons, meer mogen we van Erasmus of zijn Europese tijdgenoten nauwelijks verwachten. Er zijn anti-joodse uitspraken van Erasmus bekend, maar deze zijn altijd gericht tegen concrete personen aan wie hij een grondige hekel had. Van systematische of politiek-ideologische jodenhaat—wat we dan anachronistisch ook wel antisemitisme zouden kunnen noemen—is bij Erasmus absoluut geen sprake. Hij vindt dat joden net als ketters in de maatschappij moeten worden getolereerd. Nergens roept Erasmus op tot het verdrijven van joden, tot onteigening van hun bezit, of tot het in brand steken van synagogen (zoals Luther wel deed, in 1543). Elke godsdienst waarin Jezus Christus niet in het middelpunt stond, was voor Erasmus per definitie onaanvaardbaar. Dus konden moslims en joden zich maar het beste tot het christendom bekeren.

top